Als jong meisje groeide ik op in de schaduw van de geschiedenis, tijdens de turbulente overgang van het ene naar het andere autocratische systeem. Zelf was ik destijds te jong om politiek bewust te zijn, maar ik ademde de realiteit ervan wel in. In een gezin dat pal stond voor rechtvaardigheid, kreeg ik mensenrechten met de paplepel ingegoten. Pas als je ouder wordt, merk je hoe diep politieke systemen doordringen tot in de haarvaten van het dagelijks leven. Je ziet het aan buren die plotseling voorzichtig worden in wat ze hardop zeggen, aan de schoolkeuze die je moet maken, en zelfs aan de kleding die je wel of niet mag dragen.
Zonder dat ik de politieke theorieën erachter begreep, was ik als kind al hypergevoelig voor ongelijkheid. Ik vond het intrinsiek onacceptabel. Vraag me niet waarom; het was niet louter een aangeleerde mening, maar een fysieke bevestiging van wat al in al mijn cellen trilde. Een innerlijk kompas dat altijd naar menselijke waardigheid wees.
Juist door die jeugd wilde ik nooit bij een politieke beweging horen. Ik zag al vroeg hoe groepen, hoe nobel hun idealen op papier ook leken, in de praktijk altijd uitsluiting creëerden. “Wij” tegenover “zij”. Ik weigerde die hokjes. Voor mij was, en is, er maar één onvoorwaardelijke norm: mensenrechten. Altijd en overal. Dichtbij en ver weg. Zonder mitsen en maren, en zonder politieke kleur. Hoewel de politieke interpretatie en uitvoering ervan vaak strijdpunten zijn, mag de kern ervan nooit een politieke kleur krijgen.
Nu leef ik in Nederland, een land dat we omschrijven als een vitale, democratische rechtsstaat. Ik ben nog nooit lid geweest van een politieke partij. Voor iemand met mijn achtergrond als politicoloog en bestuurskundige is dat op het eerste gezicht misschien vreemd, of zelfs paradoxaal. Daarin ben ik overigens niet uniek; de overgrote meerderheid van de Nederlanders is geen partijlid. Maar hoewel we massaal buiten de partijlijnen staan, laten we ons in het maatschappelijk debat wel meeslepen door de dynamiek ervan. Als ik naar het Nederlandse politieke toneel kijk, zie ik, juist door mijn academische bril, vooral een luidruchtig schijndebat tussen links, rechts en het midden. Gevangen in de verstikkende dynamiek van electorale profilering en partijpolitiek winstbejag, blijken de wezenlijke verschillen onder de streep minimaal. Ik filter dat lawaai en stel telkens diezelfde, simpele vraag: hoe uiten deze partijen zich onvoorwaardelijk voor de rechten van de mens, zónder strategisch winstbejag?
Het antwoord stelt te vaak teleur. Het politieke theater houdt ons bezig. We vechten met onze buren over links of rechts, progressief of conservatief als figuranten in Bruegels “gevecht tussen vasten en vastenavond”. Het debat is veranderd in een kooi die we niet zelf hebben gebouwd, maar waarin we wel samen vastzitten. Terwijl diepgewortelde systemen ons verdelen, blijft de werkelijke macht daarboven vaak volledig buiten schot.
De geschiedenis laat pijnlijk zien dat de politiek-economische elite zich weinig aantrekt van ideologische scheidslijnen. Dit is geen kwestie van geheime complotten, maar van een structurele wetmatigheid: macht centraliseert en beschermt zichzelf, ongeacht het systeem. Dichtbij huis zagen we dit bij de toeslagenaffaire, een tragedie van institutioneel racisme en bureaucratisch geweld die zich jarenlang voltrok onder de vlag van het politieke “midden”, en waarvan het fundament tot op de dag van vandaag niet is verdwenen, terwijl slachtoffers nog altijd wachten op rechtvaardigheid. Maar kijk je wereldwijd, naar het internationale toneel, dan zie je exact hetzelfde mechanisme. Denk aan de onthullingen rondom het misbruiknetwerk van Jeffrey Epstein. De officiële vluchtlogboeken en dossiers logen niet: ze bevatten de namen van presidenten, premiers, koningshuizen en miljardairs van álle politieke gezindten. Machtsmisbruik discrimineert niet op basis van partijpolitiek. Het kijkt niet naar links of rechts. Het kent geen ideologie, behalve het behoud van de eigen onaantastbaarheid.
Terwijl wij beneden ruziën over politieke labels en gepolitiseerde nareis-cijfers, schudden de verantwoordelijken aan de top elkaar achter gesloten deuren de hand. Zij vliegen in dezelfde vliegtuigen, delen dezelfde netwerken en blijven onderling beschermd, ongeacht welk kabinet er regeert.
Mijn kompas zat er als kind al niet naast. Het gaat niet om de kleur van het bestuur of de naam van de politieke stroming. Het gaat om de onvoorwaardelijke bescherming van de mens tegenover de instituten die die macht misbruiken. We hebben vandaag de dag twee opties: we blijven blind vechten met onze buren over links en rechts, óf we kijken eindelijk omhoog naar de kooi waarin we samen zitten. Alleen die tweede optie verandert daadwerkelijk iets.
Omhoog kijken naar de kooi begint op het moment dat we weigeren om de politieke frames en de wekelijkse vijandbeelden over te nemen, terwijl we inzien dat de woede beneden bewust wordt gevoed om de gevestigde machtselite buiten schot te houden. Het vraagt van ons dat we macht beoordelen op de werkelijke uitkomsten, in plaats van op de electorale retoriek in verkiezingstijd. Elk instituut, elk wetsvoorstel en elke overheidsinstantie moet langs één universele meetlat worden gelegd: wordt de menselijke waardigheid hier onvoorwaardelijk beschermd, of wordt het individu opgeofferd voor de overleving van het systeem? Dit probleem lossen we niet op met de zoveelste poppetjeswissel of het vervangen van een minister; het systeem zelf moet fundamenteel anders worden ingericht.
Het eist van ons een radicale, onvoorwaardelijke focus op mensenrechten als absolute ondergrens, in plaats van ze langer te laten misbruiken als politieke kleur of strategisch wisselgeld.
Schilderij:
Het gevecht tussen vasten en vastenavond
Pieter Bruegel de Oude (1559)