Wegkijken als cultuurgoed

“We leven in een individualistische samenleving, we bemoeien ons hier niet met een ander,” zei een buurvrouw ooit met een vlaag van trots. Ik dacht destijds: wat heerlijk, een cultuur met respect voor privacy en autonomie. Inmiddels weet ik wel beter. Dit zogenaamde individualisme is in de praktijk een weeffout; een masker voor totale onverschilligheid.

Ik ben een paar dagen in Nederland en terwijl ik het nieuws van de afgelopen tijd aan het inhalen ben, stuit ik op berichten die ik gewoon niet uit mijn hoofd kan zetten. De grens van dit morele faillissement werd onlangs pijnlijk zichtbaar in een flat in Zeist. Omwonenden hoorden een vrouw dagenlang wanhopig “nee, nee, nee” roepen door de gehorige muren. Ze werd een week lang gegijzeld, gemarteld en verkracht. Er werd weliswaar een keer gebeld naar de politie, maar toen die onverrichter zake vertrok omdat er niet werd opengedaan, bleef het daarna oorverdovend stil in de galerij. De muren bleven dicht, de gordijnen gesloten. Dit is de totale erosie van burgerlijke moed, lafhartig vermomd als het recht op rust.

Het is de angst om onbeleefd te zijn, of de angst om je te mengen in andermans zaken, die hier omslaat in medeplichtigheid. We hanteren een ijskoude, misselijkmakende selectiviteit. Als ik mijn vuilniszak te vroeg aan de straat zet dan wordt bij mij direct aangebeld of gewoon voor mijn deur teruggezet! Dan geldt wel de sociale controle, dan worden de regels gehandhaafd. We beheersen de kunst van het micromanagen van andermans leven tot achter de komma. Maar zodra er achter diezelfde muur een menselijk drama plaatsvindt, muteren we plotseling in “autonome individuen” die de privacy respecteren?

Natuurlijk, er is angst. Angst voor een agressor, angst voor represailles, of simpelweg de verlamming van het “omstanderseffect” waarbij iedereen denkt dat de buren wel zullen bellen. En ja, de politie had de deur moeten intrappen toen zij poolshoogte kwamen nemen. Het is makkelijk om de schuld volledig bij het systeem te leggen.

Maar het systeem, dat zijn wij uiteindelijk zelf. Eén telefoontje plegen en daarna de gordijnen sluiten is geen burgerlijke plicht; het is een sussen van het geweten. Als de angst om onbeleefd te zijn, of de angst voor de eigen veiligheid en het eigen comfort, groter is dan de wil om een menselijk leven te redden, dan hebben we de grens van de beschaving gepasseerd.

We noemen het “cultuur” om de specifieke mechanismen van onze eigen passiviteit te vergoelijken. Als we een drama op cultuur schuiven, hoeven we de hand niet in eigen boezem te steken. Deze selectieve blindheid verklaart de immense eenzaamheidscrisis waar we in zitten. We leven niet mét elkaar, we leven naast elkaar in een staat van permanente, onderlinge surveillance. We gunnen de ander het licht in de ogen niet als ze buiten de boot vallen, we controleren obsessief of iedereen zich wel aan de burgerlijke normen houdt, maar we weigeren de hand uit te steken als de nood het hoogst is.

De Zuid-Afrikaanse filosofie Ubuntu stelt: “Ik ben omdat jij er bent.” Het herinnert ons eraan dat onze menselijkheid onlosmakelijk verbonden is met die van de buurvrouw en de vreemdeling. Hier hebben we dat pervers omgedraaid: “Ik ben, en wat jij doet moet je zelf weten, zolang ik er maar geen last van heb.”

Als ons individualisme betekent dat we het gekrijs van een verkracht slachtoffer rationaliseren als “binnenshuis lawaai” om onze eigen comfortabele bubbel te beschermen, dan is het geen beschavingsvorm meer. Dan is het een pathologie. Een samenleving die de controle op het banale verheft, maar de verantwoordelijkheid voor het fatale laat vallen, is ten diepste asociaal. Soms is bemoeizucht geen inbreuk op de privacy, maar de enige juiste definitie van beschaving.

Schilderij: 

Nighthawks

Edward Hopper (1942)

 

 

Gastvrijheid in de etalage: geconditioneerd racisme in de kelder!

Van autocratie naar polderpolitiek: gevangen in dezelfde kooi! 

Blog overzicht