Ik hou van Holland en de Troonrede

The day after. Woensdagochtend. De wekker gaat. De glitter en glorie van Prinsjesdag zijn opgeruimd, de hoedjes staan weer in de kast. En ik? Ik zit aan de keukentafel met een kop koffie en ik denk: ik heb er zin in, ik ga de woorden van de Troonrede in de praktijk brengen. Als een burger die zielsveel van Nederland houdt, stroop ik mijn mouwen op voor die plechtige zinnen van gisteren.

Ik sluit mijn ogen en probeer het landschap voor me te zien dat gisteren achter die woorden lag. Welke wereld ademen deze zinnen eigenlijk? Ik probeer het te voelen, te ruiken. Maar het blijft abstract, als een mistige ochtend waarin de contouren ontbreken en de wind de holle klanken zachtjes wegblaast. Er is geen kompas, geen getekend pad naar waar we met z’n allen naartoe lopen. En juist daarom voel ik: als die horizon niet voor ons wordt ingekleurd, dan moet ik dat vandaag zelf doen in mijn eigen straat, aan mijn eigen keukentafel. Want zonder onze dagelijkse praktijk blijven het slechts ritselende bladeren in de wind.

Neem nu die eerste zin: Democratie is geen platte rekensom, maar een mentaliteit die moet leven in ieder van ons. Wat betekent dat nou als ik straks de deur uitstap? Het betekent dat ik democratie moet oefenen als een spier, elke dag opnieuw.

In de praktijk betekent dat voor mij: dat als mijn buurvrouw een poster voor haar raam hangt waar ik het oneens mee ben, ik haar muren niet beklad. Het betekent dat ik een grens trek. Sterker nog, als zij om die poster met haat of geweld wordt bedreigd, dan is die democratische mentaliteit voor mij geen papieren werkelijkheid meer. Dan vraagt het van mij dat ik opsta. Dat ik, als het moet, lijfelijk voor haar deur ga staan om haar te beschermen. Juist omdat ik het niet met haar eens ben, maar wél onvoorwaardelijk strijd voor haar recht om daar veilig te wonen. Het betekent dat ik niet wegkijk als uitsluiting en agressie de straat overnemen, maar dat ik actief een schild vorm voor de ander. De speech sprak over de noodzaak om “af en toe te buigen voor de mening van anderen”. Ik vertaal dat voor mezelf als de plicht om nooit te buigen voor intimidatie, en pal te staan voor de menselijkheid in mijn eigen buurt.

Maar er zat nog een zin in de speech die een eigen vertaling vraagt: Wie ziek wordt of werkloos, moet niet worden opgesloten in een uitkering.

Dat klinkt op papier barmhartig. Maar hoe geef ik daar als burger betekenis aan? Voor mij betekent het dat ik mijn verantwoordelijkheid nog groter moet maken. Dat we op de werkvloer of in de buurt zelf het vangnet moeten weven dat aan de top langzaam ontrafelt. Het vraagt van mij dat ik als collega of werkgever de deuren wagenwijd openzet. Dat ik pal sta voor diegene met een zware burn-out, een fysieke beperking of een gat op het cv weer een eerlijke kans geef, en zeg: “Kom maar, wij dragen je wel.”

Want hoe hard we ons best ook doen om die deuren open te houden, aan de overkant staat een machine die niet meebeweegt. Achter de mooie belofte om je te “bevrijden” uit die uitkeringsgevangenis, gaat de kille realiteit schuil van een overheid die de gaten in het vangnet alleen maar groter maakt. Alsof je sneller beter wordt als de overheid de bescherming weghakt.

En geloof me, zelfs als je je leven nu perfect op de rit hebt, een goede baan, een fijn huis, geen vuiltje aan de lucht, is die grens flinterdun. De overheid is dan geen abstract woord; het is die kille, blauwe envelop op de deurmat. Het is die website die vastloopt als je na een plotselinge burn-out of ziekte probeert in te loggen, terwijl de klok tikt. Het is de paniek in de ogen van je partner als blijkt dat een administratief vinkje verkeerd staat en de betaling wordt stopgezet.

Dáár schuurt de Haagse tekst met onze dagelijkse realiteit. Er zit een diepe, pijnlijke tegenstrijdigheid in. Aan ons, burgers, wordt gevraagd om een milde, meebewegende mentaliteit te cultiveren en te “buigen” voor elkaar. Maar de overheid reageert naar ons toe met de starheid van een algoritme. De machine weigert te buigen voor de mens die even breekt. Van de burger die klem komt te zitten, wordt geëist dat hij foutloos functioneert in een verschralend systeem. En dat raakt ons uiteindelijk allemaal. Want een samenleving is pas echt sterk als het vangnet zacht is voor iedereen die valt, niet alleen voor degenen die toevallig blijven staan.

In de rijke cultuur waarin ik ben opgegroeid leerde de dichter Saadi Shirazi ons eeuwen geleden al een universele waarheid: De kinderen van Adam zijn ledematen van één lichaam, geschapen uit dezelfde essentie. Als één lidmaat door het lot met pijn wordt getroffen, kunnen de andere ledematen geen rust vinden.

Juist omdat de woorden van gisteren zo abstract bleven, is dit hoe ze zich vertalen als ik mijn jas aantrek om naar mijn werk te gaan. Die eeuwenoude zinnen betekenen in de praktijk simpelweg dat ik altijd en overal zélf voor mensenrechten en menselijkheid moet staan als minimale basis. Het betekent dat als mijn buurvrouw wordt bedreigd om haar poster, ik voor haar deur moet gaan staan. Dat als iemand ziek wordt en het vangnet wegvalt, ik diegene moet opvangen. De Troonrede legt de verantwoordelijkheid voor een rechtvaardig land geruisloos op mijn bordje. Ik stroop mijn mouwen op en ik doe het, omdat ik zielsveel van dit land houd.

Maar heren en dames in Den Haag: hoe houden júllie van dit land?

De rode loper voor vluchtelingen!

Annihilatie, de taal van het einde! 

Blog overzicht