De geschiedenis herhaalt zich niet, maar ze rijmt wel. Terwijl ik de beelden zie uit Frankrijk, waar honderdduizenden scholieren en studenten massaal de straat opgaan tegen bezuinigingen, lerarentekorten en een overbelast onderwijssysteem, reis ik terug in de tijd. Ik kijk in een spiegel van bijna veertig jaar geleden. Een spiegel die ons laat zien hoe universeel de dromen van jongeren zijn, maar ook hoe pijnlijk stil de tijd soms staat.
In de media worden protesterende jongeren vaak gereduceerd tot “raddraaiers”, “onruststokers” of een generatie die louter chaos zaait. Jonge mensen bezitten wat de Amerikaanse socioloog C. Wright Mills “the sociological imagination” noemde: het unieke vermogen om hun persoonlijke frustraties direct te koppelen aan grotere, structurele gebreken in de maatschappij. Jongeren zijn niet de chaos; ze zijn de spiegel van een systeem dat hen tekortschiet.
Als een jong meisje stond ik zelf op die barricaden in Iran. Ik herinner me de angst, maar vooral de onwaarschijnlijke solidariteit. Mijn generatie maakte twee gitzwarte omslagpunten mee op de campus van de Universiteit van Teheran, momenten die mij voor het leven hebben gevormd.
Ik kan me herinneren dat we samen met duizenden andere jongeren en studenten naar de universiteit trokken om te demonstreren tegen de verstikkende autocratie van de Sjah. Wat een vreedzame roep om vrijheid moest zijn, veranderde in een inferno toen regeringstroepen van buitenaf het vuur openden op de ongewapende menigte. Ik zag medestudenten vallen. De brute repressie smoorde de protesten niet, maar opende de poort naar de revolutie.
Anderhalf jaar later, na de revolutie, bleef de methode hetzelfde. Onder het mom van een “Culturele Revolutie” besloot de nieuwe overheid de universiteiten te zuiveren van de zogenaamde “seculiere en linkse” studenten. De campus van Teheran werd wederom omsingeld en bestormd door de Iraanse Revolutionaire Garde en knokploegen. Faculteiten werden kort en klein geslagen, barricaden stonden in brand en medische posten stroomden vol met gewonde studenten. Kort daarna gingen de universiteitsdeuren voor drie jaar op slot.
Het doel van de machthebbers voor en na de revolutie was identiek: de stem van de jeugd, en met name de ontwakende stem van jonge vrouwen, breken. Want wie de universiteit controleert, controleert de toekomst.
Nu, in oktober 2026, zie ik diezelfde dynamiek aan de andere kant van Europa. De Franse jeugd pikt het niet langer dat er miljarden worden bezuinigd op hun onderwijs en dat ze letterlijk moeten studeren in vervallen gebouwen en overvolle klassen. Geïnspireerd door een diep gevoel van onrechtvaardigheid hebben ze honderden scholen geblokkeerd.
En net als toen is de reactie van de gevestigde orde voorspelbaar hard. De Amerikaanse vicepresident JD Vance stelde dat “immigratie” verantwoordelijk is voor het geweld tijdens de grootschalige protesten in Frankrijk. De Franse president Emmanuel Macron spreekt over “zaaiers van chaos”, terwijl duizenden tieners worden gearresteerd. De Franse politicoloog en expert in sociale bewegingen, Donatella della Porta, schreef treffend over dit fenomeen:
“Wanneer overheden weigeren te luisteren naar de inhoudelijke grieven van een generatie, rest hen slechts één instrument: het criminaliseren van het protest zelf.”
De Franse jongeren die nu de straat opgaan, vechten niet alleen voor betere schoolvoorwaarden; ze vechten tegen het gevoel dat hun toekomst al is wegbezuinigd voordat deze überhaupt is begonnen. Ze weigeren te accepteren dat de politieke elite beslissingen over hún leven neemt zonder hún stem te horen.
Mijn herinneringen aan Teheran zijn pijnlijk, maar ze hebben me één ding geleerd: een samenleving waarin de jeugd niet meer rebelleert, is een samenleving die haar vitaliteit verliest. Jongeren zijn niet de leiders van morgen; ze zijn de vormgevers van vandaag. Aan de studenten in Parijs, Lyon, Marseille en overal ter wereld waar de jeugd weigert te zwijgen: ik herken jullie dromen. De tijd mag dan stilstaan, maar jullie beweging brengt de wereld vooruit. Dank!