Het is bijna 2027. Een fantastisch moment om ons nationale zelfbeeld eens tegen het licht te houden. We blinken uit in morele verontwaardiging en we hebben de mond zó vol over onze eigen waarden en normen dat we er bijna in stikken. Er is alleen één fundamenteel probleem: die heilige Mal weet allang niet meer wie of wat ze eigenlijk is. Omdat de norm met alle winden meewaait, is haar enige overgebleven bestaansrecht het massaal de les lezen van de rest.
Onze nationale spiegel is niet eens meer beslagen door onze eigen warme adem van zelfgenoegzaamheid; we hebben er bewust een handdoek overheen gegooid zodat we de totale chaos van onze eigen logica niet hoeven te zien. De ene dag vieren we de ultieme vooruitgang, de volgende dag trekken we in totale paniek aan de noodrem.
We zijn als collectief zó ongelooflijk trots op ons progressieve gidsland. Een premier die openlijk hand in hand loopt met zijn mannelijke partner? Fantastisch, we klappen onszelf op de borst voor zoveel moderniteit. Kijk ons eens tolerant zijn en wereldnieuws!
Maar zodra diezelfde premier aankondigt dat die liefde wordt bezegeld met een kind, stort de hele morele kaartenbak met een luidruchtige klap in elkaar. Het internet transformeert binnen drie minuten in een hysterische ethische commissie van gediplomeerde kinderpsychologen die moord en brand schreeuwen over “de natuur” en “het belang van het kind”.
Blijkbaar werkt onze morele meetlat via een heel bijzonder biologisch filter. Want lesbische stellen die al jaren samen kinderen opvoeden? Dat mag inmiddels wel, want dat is biologisch “logischer” dichtgetimmerd. Daar is de baarmoeder tenminste aanwezig, dus dat schuiven we makkelijk onder het tapijt. Maar zodra twee mannen hetzelfde geluk zoeken, trekt een diepgeworteld, selectief seksisme direct de ethische noodrem. Blijkbaar mag de vlag wel uit voor de identiteit, zolang er maar geen kinderwagen aan te pas komt bij de mannen. Omdat de norm zelf de kluts kwijt is over waar de grens ligt, begint ze maar preventief en agressief naar de rest te wijzen.
Onze talkshows en commentsecties puilen al dagen uit van de diepe morele walging over buitenlandse demonstranten. We vallen over elkaar heen om schande te spreken van de Fransen die de straat op gaan tegen de hoge kosten van levensonderhoud. “Wat een barbaren. Wat een kapitaalvernietiging. Ze kosten de samenleving bakken met geld.” De vinger wijst vroom en superieur over de grens.
Maar zodra de brandstofprijzen of de btw op de dagelijkse boodschappen in eigen land met een paar cent stijgen, transformeert diezelfde vrome burger in een economisch commando. Grenzen en principes verdampen op slag. We crossen massaal naar België of Duitsland om de lokale pompen leeg te trekken en kofferbakken vol te stouwen met btw-vrije bulkgoederen. We kopen massaal vakantiehuisjes aan diezelfde buitenlandse kusten, jagen met onze diepe zakken de lokale jeugd van de woningmarkt en klagen dat de mensen daar onze taal niet spreken. Onze eigen grensoverschrijdende rooftochten noemen we immers geen asociaal gedrag, maar “slim inkopen”. Plunderen en de boel ontregelen mag, zolang er maar een bonuskaart voor te scannen valt.
En dan de participatiecultuur. We eisen luidkeels dat iedereen integreert, meedoet en de maatschappelijke ladder beklimt. Iedereen die afwijkt van de standaard moet emanciperen en economisch zelfstandig worden. Prachtig. Zolang men de vakken vult, de vloer dweilt of geruisloos in de marge functioneert, knikken we bemoedigend. Het poetst immers heerlijk ons eigen ego op; het bevestigt de fabel dat wij ruimdenkend en superieur zijn aan de rest, zolang die ander maar keurig ondergeschikt blijft.
Maar zodra iemand een hoofddoek draagt, een boa-uniform aantrekt om namens de staat de wet te handhaven, of, god verhoede, het hart van de democratie binnenstapt om daadwerkelijk mee te beslissen, raakt het gidsland in totale paniek. De zogenaamde veilige, tolerante werkomgeving waar we zo trots op zijn, verdampt als sneeuw voor de zon.
De politieke arena verandert direct in een schouwspel van uitsluiting en achterdocht. En hier bereikt de hypocrisie haar absolute kookpunt: in die exacte arena struikelen we inmiddels dagelijks over de schandalen, leugens en politieke corruptie van de zittende macht. De reactie van de brave burger? Een laconiek schouderophalen en een collectief: “Nou ja, wie had dat nou níét verwacht?” We accepteren klakkeloos dat de mensen die we zélf gekozen hebben de boel bij elkaar liegen en belazeren. Dat vinden we blijkbaar een volwassen realiteit.
Maar zodra een ander de ladder beklimt en gelijkwaardigheid opeist, trekken we plotseling een morele integriteitsgrens. We slikken corruptie van de gevestigde orde met de mantel der liefde, maar struikelen over de identiteit van de nieuwkomer. De boodschap is pijnlijk helder: je mag hier best meedoen om het systeem te dienen, zolang je maar de schijnheiligheid niet verstoort. Zodra je de top bereikt en echt meebeslist, trekt De Mal de stekker eruit.
Dit is de tragiek van de polder: we hebben de Mal zo absurd nauw, tegenstrijdig en hypocriet gemaakt dat er uiteindelijk helemaal niemand meer in past. Zelfs de mensen die het hardst schreeuwen niet. We zijn een openluchtmuseum van selectieve moraal geworden. We tolereren in feite helemaal niets, omdat we door onze eigen innerlijke verwarring constant de spelregels veranderen om ons eigen superieure zelfbeeld te beschermen. Het wordt tijd om die handdoek van de spiegel te trekken. Niet om te kijken of ons haar nog wel zo progressief zit, maar om eindelijk eens hardop te lachen om de totale, richtingloze absurditeit van onze eigen schijnheiligheid.