Het kruipt in je kleren. Het is de blik die net te lang blijft hangen bij de koffieautomaat, de subtiele verandering in de ademhaling van een ruimte zodra je binnenstapt, of die plotselinge stilte aan een tafel. Vroeger dacht ik dat haat exclusief was. Een intiem bezit waarvoor je een geschiedenis moest delen. Je moest een grens overschrijden of elkaar kapotgemaakt hebben om oprechte vijandigheid te oogsten. Vandaag is haat losgekoppeld van de ontmoeting. Het is volledig gedemocratiseerd.
Je wordt gehaat door de vreemde. De voorbijganger die de textuur van je stem niet kent, nooit heeft gezien hoe je je koffie drinkt, en geen flauw benul heeft van je innerlijke complexiteit. Het blijft een perverse, fysieke gewaarwording: de wetenschap dat er mensen zijn wier hartslag versnelt van pure nijd zodra jouw naam valt. Mensen die je ondergang wensen zonder ooit je hand te hebben geschud.
Dit is het logische eindstation van een cultuur waarin de ander niet langer een mens is, maar een sjabloon. Een wandelend stereotype dat door de ander misbruikt wordt om de eigen existentiële leegte te dempen. Ze haten niet jou; ze haten de schim die ze van je hebben gemaakt. Rumi schreef ooit dat de wereld een berg is die je eigen echo terugkaatst. Maar de meute hoort haar eigen echo niet eens meer. Ze spugen hun oordeel uit en consumeren hun eigen vloeibare woede om hun innerlijke onbehagen te verdoven.
Je bent niet hun opponent; je bent slechts hun projectiescherm.
Men probeert dit vaak te relativeren met een quasi-intellectueel schouderophalen. Alsof je immuun moet zijn voor de ruis van de massa. Maar zo werkt het menselijk brein niet. De dreiging voelt fysiek. Het legt pijnlijk bloot hoe verleerd we zijn om met de ander samen te leven; we kunnen alleen nog via de constructie van “de vijand” met elkaar communiceren.
De ultieme tragiek ligt echter bij de hater zelf. Ze gaan naar bed met jouw naam op hun lippen en consumeren jouw abstracte bestaan, terwijl jij hun gezichten niet eens kent. Je wordt een spook in de leegte van hun hoofd. Zij zaaien de doornen, maar uiteindelijk vernietigen ze daarmee alleen hun eigen tuin. Voor jou bestaan ze niet eens.
Schilderij:Â
De meute met maskers ( Oude dame met maskers)Â
James Ensor (1889)