Komt er een nieuwe groep asielzoekers aan in een opvangcentrum, dan weet je één ding zeker: de tijdlijnen op social media stromen vol met ingezoomde screenshots. Geen foto’s van de ellendige modder in Ter Apel, kille sporthallen of van kinderen die letterlijk gehurkt onder een paraplu in de stromende regen zitten, maar van gezichten. En de teksten erbij druipen van het cynisme:
“Kijk eens naar die merkkleding.”
“Zijn haar zit wel erg goed voor een vluchteling.”
“Moet je zien, ze hebben dure telefoons.”
Achter die zure opmerkingen zit een ijskoude, bewuste ontmenselijking. Het laat precies zien wat wij als toeschouwers stiekem eisen: een soort “perfect plaatje” van het slachtoffer.
De eis dat de ander helemaal kapot is
In ons hoofd mag een vluchteling pas aanspraak maken op mensenrechten als hij eruitziet als absolute ellende. Hij moet haveloos zijn. Vuil, naakt, en smekend in de modder. Pas als de ander helemaal is gereduceerd tot wat Hannah Arendt de “naakte menselijkheid” noemde, ontdaan van elke vorm van cultuur, status of waardigheid, vinden we hem zielig genoeg voor een bed en een broodje.
Maar zodra een vluchteling een smartphone heeft of zijn haar netjes kamt, weigert hij die rol te spelen. Terwijl die smartphone geen luxe is, maar een pure reddingslijn om te overleven; eentje die je letterlijk verbindt met alles wat waardevol is en wat je hebt moeten achterlaten. Het is zijn kompas, zijn ID-bewijs en de enige lijn met zijn familie. Toch ziet de gemiddelde burger op LinkedIn dit als een provocatie. Waarom? Omdat die telefoon de vluchteling te veel op ons laat lijken. En als hij op ons lijkt, kunnen we hem niet meer wegzetten als een abstracte “instroom”.
Wegkijken van onze eigen schuld
Het delen van dit soort foto’s is precies wat James Baldwin “dodelijke onschuld” noemde. Ik blijf dit herhalen, omdat het moed vergt om het eigen zelfbeeld, na zoveel zwarte bladzijden, eens blanco te reflecteren. Door te vallen over een jas of een kapsel, poetsen we onze eigen schuld weg. Dan hoeven we het namelijk niet te hebben over de échte oorzaken van de vlucht. Dan hoeven we niet te praten over hoe onze welvaart, onze fossiele subsidies en onze geopolitieke keuzes de grond onder hun voeten hebben weggeslagen.
We maken er een consumentendiscussie van: heeft hij wel recht op die jas? Daarmee maken we van asiel een gunst die we alleen uitdelen aan mensen die zich voldoende onderdanig en kapotgemaakt presenteren. Het is de weigering om te zien dat waardigheid niet afhangt van kleding, maar van het feit dat je een mens bent.
De spiegel van onze eigen armoede
De ironie is pijnlijk. Een samenleving die zelf geobsedeerd is door uiterlijke schijn en de perfecte online moraal, valt over het feit dat een vluchteling zijn menselijke waardigheid probeert te bewaren door zijn haar te kammen. Het toont de diepe morele armoede van de toeschouwer. We willen de vluchteling klein en anoniem in het vuil houden, omdat zijn netheid ons dwingt om hem als gelijke te zien.
Kijk nog eens goed naar die gedeelde foto’s op je scherm. Die spiegel laat niet de luxe van de vluchteling zien. Die spiegel toont de kille, neokoloniale logica van een land dat pas helpt als het slachtoffer eerst smekend op de knieën gaat. Het is niet de vluchteling die hier door de mand valt. Het is onze eigen holle beschaving.
Schilderij:
Ecce Homo
Antonio Ciseri (1871)