In de taalwetenschap is het woord gastvrijheid (hospitality) een fascinerend concept. In veel oude talen deelt het woord namelijk zijn wortels met vijandigheid (hostility). Het verraadt een diepe angst: de angst voor de ander. Die angst verdwijnt pas zodra de gast zich strikt naar de huisregels schikt. Er is een specifiek, welvarend moerasdelta-ecosysteem in West-Europa dat dit taalkundige mechanisme tot kunst heeft verheven. Dit landsdeel adverteert zichzelf wereldwijd als hét symbool van openheid, terwijl de databestanden van haar eigen ministeries een heel andere taal spreken.
Om te begrijpen hoe samenlevingen met elkaar omgaan, helpt het om te kijken naar de betekenis die van oudsher aan dit woord wordt gegeven. Vanuit mijn Perzische wortels ben ik opgegroeid met een heel concrete definitie: de gast hoeft zich niet aan jóúw regels te houden; jij houdt je aan de regels waarin de gast zich thuis voelt. Je schept pas op nadat je gast heeft opgeschept. Je dekt een tafel overvloedig met allerlei gerechten, zodat er altijd een vrije keuze is. De gast is altijd welkom en hoeft zijn aankomst niet weken van tevoren aan te kondigen. Zelfs in de diaspora reist deze traditie mee. Het is een ongeschreven sociaal contract waarin menselijke waardigheid de hoogste wet is. De cirkel van de wij-groep is elastisch. Iedereen past erin.
Hoe pijnlijk is het contrast wanneer die cirkel niet elastisch blijkt, maar streng gecodeerd. In de West-Europese delta verandert gastvrijheid in een unieke, administratieve variant van vooraf plannen, registreren en in agenda’s vastleggen. Hier staat het zelfbeeld, “wij zijn open en aardig”, haaks op de empirische realiteit. Wetenschappelijke rapporten en parlementaire enquêtes tonen hier keer op keer aan dat institutionele uitsluiting en racisme geen incidenten zijn, maar ingebouwd zitten in de architectuur van het systeem.
De paradox roept een fundamentele vraag op: wie is er in zo’n samenleving eigenlijk “gastvrij”? Zijn het de individuele buren? De collega’s? De vriendelijke vreemde op straat? Of is het de overheid, het systeem waarin al deze “gastvrije” individuen functioneren?
Hoe rijmt de alledaagse vriendelijkheid zich met de institutionele uitsluiting? Het antwoord ligt in de uitbesteding. De cultuur claimt de morele eer van gastvrijheid, maar heeft de uitvoering ervan gedelegeerd aan kille computermodellen. Een algoritme dat, zo bewijzen de harde data, selecteert op de klank van een achternaam of de kleur van een paspoort. De Belastingdienst, de woningmarkt en de arbeidsmarkt functioneren er als een digitaal uitsluitingsfilter. De boodschap aan de “gast” is glashelder: je bent van harte welkom, mits je onzichtbaar blijft, meebetaalt aan het bruto binnenlands product, en akkoord gaat met een permanent preventief wantrouwen bij elk loket.
Dit is de wet van de lege etalage. De overheid fungeert hier niet als “gastheer”, maar als een cynische accountant die de kosten van menselijkheid berekent. Wie aan de poorten van het continent strandt telt niet mee; pas binnen de muren begint de boekhouding. Gastvrijheid is gereduceerd tot een exportproduct, een marketingterm voor toeristenbureaus om het eigen geweten te sussen.
Wie met een dampende kom soep naar dit hyper-efficiënte, institutioneel gelaagde loket stapt om de menselijke maat op te eisen, stuit onherroepelijk op een foutmelding. Een kom soep past immers niet in een invulveld van een pdf-formulier. En een systeem dat van binnenuit is geprogrammeerd op achterdocht, kan menselijke warmte nu eenmaal niet verwerken zonder volledig vast te lopen.
Schilderij:
Stadsgezicht
Carel Willink (1934)