Ik zit in het buitenland en lees het Nederlandse nieuws. In dorpen als Engelen en Bokhoven zijn huizen en auto’s beklad. De reden? De bewoners hadden een simpele poster van VluchtelingenWerk voor hun raam hangen met de tekst “Samen leven”. Verder niets. De daders weten waarschijnlijk niet eens wat zo’n poster precies inhoudt, laat staan wat het werkelijk in daden betekent. Toch was het genoeg om een buurvrouw doelgericht te intimideren en op haar eigen ruit voor hoer uit te maken. Ineens hoort zij niet meer bij onze vrouwen. Ze is vogelvrij verklaard.
Terwijl ik dit van een afstand observeer, dringt de vraag zich op: wanneer is iets eigenlijk van ons? En waar ligt de grens waarop je er plotseling niet meer bij hoort?
Het herinnert me aan die voortdurende politieke soundbites: “We moeten onze manier van leven beschermen.” “Onze waarden en normen staan onder druk.” “Ze haten onze vrijheid.”
Luister eens goed naar die zinnen. Het venijn zit niet in de grote concepten waar we over ruziën, zoals een manier van leven of normen. Het zit in dat kleine, bezittelijke voornaamwoord: onze. Het belangrijkste woord in die hele discussie is het woord onze. Niet vrijheid. Onze vrijheid. Dit woord doet iets specifieks. Het maakt van vrijheid een bezit. Het eigendom van een specifieke groep. Iets dat bezeten kan worden, dat toebehoort aan sommige mensen en niet aan anderen. We praten over universele idealen alsof het een afgesloten achtertuin is. Onze democratie. Onze vrouwen. Ons bezit.
Maar sinds wanneer is vrijheid iets dat je kunt bezitten?
Machthebbers mobiliseren massa’s door een scherpe, psychologische grens te trekken tussen de in-group (wij) en de out-group (zij). Juist die selectieve scheiding tussen wat van ons is en wat niet van ons is, geeft aan dat niemand dit intellectueel echt kan hardmaken. Sterker nog: die selectiviteit bevestigt vooral ons eigen zelfgenoegzame zelfbeeld.
Want kijk eens naar de schaduwzijde van die claims. Waarom is racisme niet van ons? Waarom hoort geweld niet bij onze manier van leven? Waarom is die verstikkende bekrompenheid niet van ons? Waarom is de premier of de president niet onze leider die we zelf bewust hebben gekozen? Die wassen we selectief van onze handen, alsof moreel verval alleen een eigenschap van de buitenstaander is. Maar zodra een buurvrouw een poster ophangt die oproept tot menselijkheid, wordt ze met geweld uit de in-group gestoten. Dan is ze ineens de vijand.
Dit is exact de dynamiek die de politicoloog Edward Said blootlegde in zijn werk over imperiale machtsstructuren. Hij toonde aan hoe het Westen een fictieve, inferieure identiteit op de buitenwereld projecteert, als irrationeel en anti-democratisch, puur om de eigen dominantie en militaire inmenging te legitimeren. Door universele waarden te nationaliseren en te claimen dat wij het monopolie op het goede hebben, creëren we een morele hiërarchie die geopolitiek handig uitkomt.
Dit taaltrucje is dan ook niet onschuldig; het is noodzakelijk voor de instandhouding van die macht.
Want stel dat vrijheid wél universeel is. Stel dat het iets is dat ieder mens voor zichzelf en voor zijn kinderen wil. Als dat waar is, dan zijn de mensen die zich verzetten tegen een militaire aanwezigheid in hun land geen vrijheidshaters.
Het zijn vrijheidszoekers.
Het zijn mensen die voor hun eigen land precies willen wat westerse landen zeggen dat ze voor het hare willen: het recht om geregeerd te worden door leiders die ze zelf kiezen, onder wetten waarmee ze hebben ingestemd, zonder dat een buitenlands leger beslist welke regering acceptabel is en welke moet worden afgezet.
Dát is vrijheid. Volgens elke definitie die ook de mensen omvat die het woord gebruiken.
De reden dat “ze haten onze vrijheid” op die manier gezegd moet worden, onze vrijheid, niet vrijheid op zich, is om de logische vervolgvraag te voorkomen: Als ze vrijheid so erg haten, waarom blijven ze die dan van ons eisen? Of het nu gaat om een vluchteling die huis en haard verlaat voor die vrijheid, of een buurvrouw die er simpelweg een poster voor ophangt.
Schilderij:
Les Amants (De Geliefden)
René Magritte (1928)