In de hedendaagse semantiek voltrekt zich een stille, maar uiterst luidruchtige catastrofe. Dagelijks openen we de nieuwsstromen en horen we “opiniemakers” plechtig verklaren: “We zijn nu écht door de ondergrens gezakt.” Of, nog dramatischer: “De bodem is bereikt.” Als politicoloog/bestuurskundige vind ik deze specifieke taal fascinerend. Het gebruik van deze ruimtelijke metaforen is in bepaalde, opvallend laaggelegen en drassige taalgebieden uitgegroeid tot een nationale sport. Maar ik begin me inmiddels ernstig zorgen te maken over de fysieke staat van deze metaforische infrastructuur.
Taalkundig gezien is een “bodem” of een “ondergrens” bedoeld als een absolute nulmeting. Een nulpunt. In de exacte wetenschappen is de bodem hard; als je ertegenaan knalt, stopt de beweging. Wetenschappers noemen dit de wet van behoud van ellende, waarbij een object na impact simpelweg stil blijft liggen om de schade op te nemen. In onze hedendaagse retoriek blijkt de bodem echter te bestaan uit een soort elastisch moeras. Sociologen spreken hierbij van hyperbolische inflatie: het structureel misbruiken van extreme termen om morele verontwaardiging te veinzen, waardoor het woord zijn volledige betekenis verliest.
Onze collectieve bodem gedraagt zich dan ook niet als graniet, maar als een trampoline. We vallen erdoorheen, we stuiteren een stukje op, we roepen dat het “schandelijk” is, en we zakken vervolgens vrolijk door naar de volgende kelderlaag. Het taalkundige nulpunt is veranderd in een oneindige kruipruimte. Niemand vraagt zich ondertussen af waar die arme bodem feitelijk ligt, wanneer we hem nu écht raken, en vooral: wiens bodem het eigenlijk is. Is de ondergrens een zwerfkei die we elke nacht stiekem een meter dieper ingraven om de statistieken te pleasen? Wordt er daarginds beneden tol geheven?
De psychologische verklaring hiervoor is vanuit bestuurskundig perspectief even briljant als tragisch: het is een vorm van semantische pacificatie. Door collectief te gillen dat we de bodem hebben bereikt, sussen we de collectieve drang om daadwerkelijk in te grijpen. We diagnosticeren het probleem met een ronkende metafoor, zodat we daarna exact nul procent aan onze daadwerkelijke handelingen hoeven te veranderen. Het is een cyclus van pure, gerecyclede ophef, volledig aangedreven door een acuut selectief geheugenverlies.
Dit vaste script verloopt inmiddels volautomatisch. Eerst ontdekken de media een gloednieuw historisch dieptepunt, waarna de talkshows direct volstromen met opiniemakers die “geschokt” met hun handen zwaaien. Vervolgens stelt de politiek haastig officiële Kamervragen of wordt er een nieuwe evaluatiecommissie opgericht, om te zorgen dat het collectief de hele kwestie na drie weken weer compleet kan vergeten omdat er alweer een nieuwe, nóg diepere bodem is ontdekt.
Niemand vraagt zich na die drie weken ooit af hoe het eigenlijk afliep met die vorige totale instorting. De logistieke levering is nul, de verbale marketing is gigantisch. Dit selectieve geheugenverlies zorgt ervoor dat we telkens opnieuw collectief “geschokt” kunnen reageren, zonder dat we ooit verantwoording hoeven af te leggen over de puinhopen van gisteren.
Critici zullen ongetwijfeld tegenwerpen dat deze extreme taal noodzakelijk is. “Zonder deze crisisretoriek komt er toch nooit iets in beweging?” zo klinkt het dan vanuit de ivoren torens van de communicatiebureaus. Dit is een klassieke denkfout. Retorisch onderzoek toont aan dat constante blootstelling aan apocalyptische metaforen niet leidt tot actie, maar tot metafoor-moeheid en een diepgewortelde maatschappelijke apathie. Als de wereld elke dinsdag vergaat, stel je de aanschaf van een nieuwe agenda immers gerust uit tot woensdag. Waarom zou je ook in beweging komen voor een crisis die morgen toch weer wordt overtroffen door een vers dieptepunt?
De taalkundige realiteit is dan ook veel banaler dan een acute crisis. Deze cultuur van constante verbale verontwaardiging is in feite de perfecte dekmantel voor totale maatschappelijke stilstand. Als we de bodem écht raken, veranderen we gewoon de definities in het woordenboek. Dan noemen we het dieptepunt vanaf morgen “het nieuwe normaal”. We leggen er vloerverwarming in, hangen wat hippe Q&A-filmpjes op aan de muren om de sfeer erin te houden, en we graven gewoon weer vrolijk verder. De bodem is niet in zicht; we hebben hem allang onder ons weggeslagen en we zweven met z’n allen in een zelfgenoegzame vrije val. Maar zolang we de grammatica maar de schuld kunnen geven, hoeven we zelf tenminste niet met de billen bloot.
Schilderij:
Golconda
René Margitte (1953)