Gisteren zag ik weer zo’n zwart-witfoto op mijn tijdlijn. Een naam in de krant van iemand die ik nooit heb gekend. Nooit gesproken, nooit ontmoet. En toch: die plotselinge, misselijkmakende steek in mijn borst. Het is een vreemd soort rouw, die melancholie om een vreemde. Misschien huil ik niet eens om die ander, maar om ons allemaal. Het is de naakte confrontatie met het grote menselijke lot. We staan tenslotte allemaal in dezelfde rij te wachten op de eeuwigheid.
M. Vasalis sloeg de spijker op zijn kop in haar gedicht Sub Finem: Het werd, het was, het is gedaan. Zo simpel. Zo verdomd onverbiddelijk. Dan kruipt die vraag omhoog die we overdag zo hardnekkig wegdrukken: hoe ga ik straks zelf? Wordt het een geruisloze fluistering in de nacht, of een slopend gevecht waarin mijn lichaam langzaam de controle verliest?
En vooral: wie weet straks nog wie ik was?
Als we eerlijk zijn, is het antwoord pijnlijk: over een tijdje herinnert niemand zich ons nog. We sussen onszelf graag met de illusie dat we diepe voetafdrukken achterlaten, maar de tijd is een vloedgolf die alles uitwist. Morgen, of overmorgen in kosmische tijd, ben je een vergeten naam. Onze spullen worden verdeeld, onze verhalen vervagen. Hans Andreus probeerde te troosten met: Je hoeft niet bang te zijn, ik ben de wind. Prachtig beeld, natuurlijk. Maar de wind laat geen handtekening achter. Doet het er dan allemaal wel toe?
Eeuwen geleden keken de Perzische mystici al in datzelfde zwarte gat. Alleen raakten zij niet in paniek van de vergetelheid. Ze keken dwars door de dood heen. Rumi schreef: Huil niet, ik val niet in een peilloze afgrond. Het lijkt misschien een zonsondergang, in werkelijkheid is het een dageraad. Hij begreep dat ons lichaam maar een huls is. Een zaadje dat de grond in moet om open te breken.
De echte horror van de dood zit dan ook niet in die kosmische stilte of de angst voor de leegte. De echte pijn zit in de liefde die je hier moet achterlaten. Mijn eigen dood beangstigt me niet om wat ik verlies, maar om wat ik de mensen van wie ik intens hou aandoe. Sterven is een egoïstische daad. Je trekt een gapend gat in hun wereld en dwingt hen om te ademen in de koude leegte die jij achterlaat. Je zadelt hen op met de loodzware erfenis van jouw afwezigheid.
De filosoof Jacques Derrida zei ooit dat verdriet simpelweg de achterkant van de liefde is. Je krijgt ze alleen als pakketdeal. Maar precies in die pijn zit onze ontsnappingsroute. Hafez van Shiraz vatte dat perfect samen: Iemand wiens hart tot leven is gewekt door de liefde, sterft nooit.
Dus laat die vergetelheid maar komen. Wat maakt het uit dat we morgen vergeten zijn? Poëzie herinnert ons eraan dat liefde niet eeuwig hoeft te duren om nu van waarde te zijn. We schrijven hier met onzichtbare inkt op stromend water. Maar zolang die inkt nat is, raakt het de mensen om ons heen. We hebben liefgehad. Dat is niet niks. In dit absurde, eindeloze universum is dat het enige dat telt.
Schilderij:
Untitled (from the Tree Trunk Series)
Sohrab Sepehri (1972)