Wat een bizar schouwspel was het in de Rotterdamse raadszaal. Je kon de intersectionele tragikomedie bijna aanraken. Daar zat ze, Eva Heijblom. Topambtenaar, strak in het pak op de publieke tribune. De handjes al gevouwen om de traditionele bos bloemen in ontvangst te nemen. Haar installatie als de nieuwe wethouder. Dat leek een puur administratief hamersstukje. Totdat de anonieme stembriefjes werden geteld. Ineens stond daar 23 keer niet háár naam op het papier, maar die van partijgenoot Joan Nunnely. Exit Heijblom, enter totale politieke paniek op de Coolsingel. Menselijk gezien natuurlijk een keihard drama op die tribune, maar politiek gezien een historische uppercut.
In de Rotterdamse stadhuisbubbel gillen ze nu moord en brand. Een achterbakse coup, een procedurele miskraam, een dolksteek in de rug. Maar kijk eens door die morele verontwaardiging heen. Wat zie je dan? De perfecte empirische demonstratie van een pijnlijk sociologisch feit: binnen de gevestigde machtsstructuren tellen vrouwen van kleur simpelweg niet mee als onderdeel van de “wij-vrouwen”.
De Amerikaanse rechtsgeleerde Kimberlé Crenshaw legde dit in 1989 al haarscherp uit met haar term intersectionality (kruispuntdenken). Ze bewees dat de politieke blik op “vrouwen” historisch gezien eigenlijk altijd over witte vrouwen gaat. Als D66 en de Rotterdamse coalitie (PRO, VVD, CDA en Volt) een wethoudersploeg presenteren en trots roepen dat er genoeg “vrouwen” in de selectie zitten, bedoelen: vrouwen die op Eva Heijblom lijken. De zwarte vrouw valt in een blinde vlek. Die staat op geen enkel lijstje voor de echte topfuncties.
De coalitie dacht dit gebrek aan echte representatie lekker makkelijk weg te poetsen met een technocratisch zwaargewicht. Maar Heijblom schoot zichzelf tijdens de hoorzittingen pijnlijk in de voet. Ze maakte een ronduit matige indruk. Erger nog: ze gaf openlijk toe eigenlijk niks te hebben met haar eigen cruciale portefeuille Mobiliteit. Tja, dan maak je jezelf wel heel erg kwetsbaar. De voltallige oppositie, van links tot rechts, van Leefbaar tot Denk, rook bloed. Voor hen was die anonieme stemming echt geen verheven daad van intersectionele rechtvaardigheid. Welnee, het was gewoon een ijskoude, strategische kans om een wankele coalitie keihard te destabiliseren.
Sociologen Patricia Hill Collins en Sirma Bilge schreven het al in hun standaardwerk ‘Intersectionality’:
Machtsstructuren reproduceren zichzelf door diversiteit te reduceren tot een cosmetische afvinklijst, waarbij de meest gemarginaliseerde groepen buiten de daadwerkelijke kring van de ‘wij-groep’ worden gehouden.
Ik zeg zelf altijd bij sollicitaties: met mij kunt u in één keer drie blokjes afvinken: niet-wit, migrant, én een vluchtelingenvrouw, daarmee haalt u uw diversiteitsdoel direct glansrijk in! Maar de harde werkelijkheid is dat de gevestigde orde die vinkjes alleen wil zetten als ze de controle behouden.
Joan Nunnely weigerde die brave, traditionele feministische etiquette te volgen. Ze paste ervoor om de “onzichtbare, dankbare minderheid” te spelen. Ze noemde de beoogde wethoudersploeg vooraf al “onacceptabel wit” voor een superdiverse stad als Rotterdam. En toen het systeem weigerde haar via de voordeur binnen te laten? Toen gooide de opportunistische raad via een anonieme stemming gewoon de achterdeur open. De oppositie zocht een breekijzer om de macht te breken, Nunnely zocht een stoel aan de tafel.
De reactie van de progressieve elite op deze wissel is misschien nog wel het meest lachwekkende van deze hele stadhuis-soap. In plaats van te proosten op nóg een vrouw in het bestuur, reageren de partijbonzen alsof er een gevaarlijke indringer in hun beveiligde clubhuis staat. Nunnely is ineens niet “een van onze dames” die het glazen plafond doorbreekt. Nee, ze is een “procedureel integriteitsrisico” dat dringend geëvalueerd moet worden. Haar succes is in hun ogen geen overwinning, maar een drama.
De les van deze Rotterdamse stoelendans is helder. Zolang feminisme binnen de politieke machtsploegen alleen maar staat voor de promotie van de witte, hoogopgeleide vrouw, hoeven vrouwen van kleur niet op een uitnodiging te rekenen. En als de gevestigde orde weigert de stoelen fatsoenlijk te delen? Dan moet je de hele tafel maar omverwerpen om een plek te veroveren. Met of zonder de klaarliggende bloemen van D66, en met hartelijke dank aan de cynische stemmen van een vijandige oppositie.