We zijn dol op het woord verbinder. Het klinkt warm, menselijk en onbaatzuchtig. Maar in de bovenste lagen van het bestuurlijke apparaat verwordt die verbinder vaak tot een netwerker die allesbehalve onbaatzuchtig is. Daar is verbinden geen brug slaan tussen mensen, maar het opzetten van een relationele transactie.
De code van de netwerker is simpel: ik doe iets voor jou, zodat jij straks iets voor mij doet. Het is een handel in wederdiensten die zich verschuilt achter de glimlach van een borrel of een informeel diner. Psycholoog Robert Cialdini beschrijft dit als het principe van wederkerigheid: een diepgewortelde sociale regel die ons dwingt om een gunst te vergelden, waardoor een netwerk verandert in een web van psychologische schulden. Een wervingsbureau dat je aan een positie helpt, stuurt een onzichtbare rekening mee. De ongeschreven wet dicteert dat jij later, vanuit je nieuwe machtspositie, weer opdrachten hun kant op schuift. Het is een gesloten ecosysteem waarin integriteit het aflegt tegen de schuldvraag: wat ben ik de ander nog verschuldigd? Dit verklaart ook waarom echte diversiteit in de top zo moeizaam van de grond komt: deze bureaus vissen telkens in hun eigen vijver van verschuldigde kandidaten. Diversiteit wordt zo louter een decorstuk voor de etalage, terwijl de achterdeur stevig op slot blijft voor iedereen die niet in hun web van wederkerigheid past.
Jarenlang dacht ik dat ik deze code moest volgen. Ik regelde opdrachten voor anderen, opende deuren en deelde mijn expertise. Ik dacht dat dit de manier was waarop we elkaar hielpen. Totdat ik me realiseerde dat mijn diensten door de incrowd als vanzelfsprekend werden beschouwd, terwijl de wederdienst uitbleef. Ik speelde een spel waarvan ik de spelregels wel kende, maar de moraal niet deelde.
De echte netwerker bouwt geen netwerk; hij bouwt een kaartenhuis van wederzijdse afhankelijkheid. Wie buiten deze cirkel van transacties treedt, is niet langer interessant. Het verklaart waarom zoveel bestuurlijke vernieuwing strandt: men kiest liever voor de vertrouwde handelspartner met wie de rekeningen nog openstaan, dan voor de oprechte verbinder die spreekt vanuit de inhoud.
Oprechte verbinding vraagt om kwetsbaarheid en de bereidheid om te geven zonder een factuur in je achterhoofd. De netwerker daarentegen leeft van de angst om buiten de boot te vallen. Maar na veertig jaar weet ik: ik geef liever zonder wederdienst, dan dat ik onderdeel word van een systeem waarin elke handdruk een contract is. Sommige netwerken zijn namelijk niet bedoeld om je te steunen, maar om je in te vangen.
Schilderij:
De geldwisselaar en zijn vrouwe
Quinten Massijs (1514)