Vandaag, op 11 oktober 2026, wappert de regenboogvlag voor het eerst boven het gebouw van de Tweede Kamer. Maar het bestuurskundige oog ziet direct de ironie van de logistiek: er was amper 72 uur geleden een nachtelijke spoedprocedure voor nodig om te beslissen of een symbool van basale menselijke waardigheid wel door de beugel kon. Dat volksvertegenwoordigers in het holst van de nacht rechtsomkeert moesten maken naar Den Haag om fysiek te stemmen legt de werkelijke staat van onze zogenaamde “verlichting” pijnlijk bloot.
Coming Out Day werd 38 jaar geleden gelanceerd in de Verenigde Staten (1988) door Rob Eichberg en Jean O’Leary, als directe beleidsstrategie na de massale mars in Washington. Het dogma was simpel: zichtbaarheid dwingt tot acceptatie. In 2009 werd deze dag door de Nederlandse overheid geïnstitutionaliseerd als een bestuursrechtelijk emancipatie-instrument. Het doel? De minderheid optrommelen om kleur te bekennen, in de hoop dat het systeem hen zou accepteren.
Het is 2026. En deze bestuurskundige weigert mee te gaan in de doctrine van de kast.
Dit is een pleidooi van diepe liefde en respect voor de generaties activisten die vóór ons kwamen. Zij moesten vechten voor radicale zichtbaarheid; hun openlijk zijn was een noodzakelijk schild en een politiek breekijzer in een wereld die hen letterlijk onzichtbaar wilde maken. Dankzij hun offers hebben we vandaag het fundament om verder te kijken. Ik wil me vandaag richten op de hardnekkigheid van het falende systeem. Nu we de ruimte hebben om te spreken, moeten we de vraag durven verleggen van het individu naar de structuur.
Waarom accepteren we nog steeds dat de bewijslast structureel wordt neergelegd bij de pluriformiteit van het individu? Waarom moet de mens zijn vloeibare identiteit verantwoorden aan een starre structuur? Zoals de socioloog Zygmunt Bauman al schreef over onze moderne vloeibaarheid: we proberen de bonte diversiteit van de menselijke natuur dwangmatig in administratieve hokjes te categoriseren. Onze instituten managen diversiteit met commissies en nachtelijke stemmingen, maar die bureaucratische schijnacceptatie is een subtiele vorm van uitsluiting. Het bevestigt immers dat het establishment de regels bepaalt. Of zoals Audre Lorde het scherp formuleerde: “The master’s tools will never dismantle the master’s house.” We gebruiken de instrumenten van de norm om acceptatie te smeken, in plaats van het huis af te breken.
Dat brengt ons bij de fundamentele machtsvraag: wie of wat is die ‘norm’ die zo arrogant eist dat we onszelf óf zichtbaar verklaren óf onzichtbaar aanpassen?
Als we de demografische data politicologisch ontleden, stuiten we op een absurde statistische fictie. De zogenaamde “norm” is mondiaal en lokaal een numerieke minderheid. De optelsom van alle menselijke variaties in gender, cultuur, neurobiologie en fysieke gesteldheid vormt de absolute meerderheid. En toch regeert die minderheidsnorm als een onzichtbare hegemonie. Antonio Gramsci legde dit mechanisme al bloot: een dominante cultuur slaagt erin zichzelf te presenteren als de “natuurlijke nulmeting” van de mens, waardoor al het andere automatisch tot ‘het alternatief’ wordt gereduceerd.
Hoe kan het dat we met al onze technologische superioriteit nog steeds vastzitten in deze tribale psychopathologie van de macht?
De norm beschermt zichzelf via het geraffineerde proces van Othering, een concept dat de filosoof Edward Said grondig analyseerde. We construeren de eigen stabiliteit niet uit innerlijke kracht, maar door de ander tot een “categorie buiten de mal” te degraderen. De norm weigert de complexe, innerlijke diversiteit die ieder mens in zich draagt te ontmoeten. De kast is er dan ook nooit geweest om de gemarginaliseerde te beschermen; de kast is door de norm ontworpen om de eigen superioriteit onbesproken, universeel en ongewijzigd te laten.
Het is tijd voor een intellectuele weigering uit pure liefde voor de menselijke waardigheid. We moeten stoppen met het vieren van de dappere aanpassing aan een achterhaald systeem. Ware emancipatie eist geen grotere “tolerantie” voor minderheden, maar de totale deconstructie van de mal zelf. Totdat we die onzichtbare machtsstructuur durven te ontmantelen, blijft elke vlag die we hijsen, hoe hard er in de nacht ook om is gevochten, slechts een cosmetische pleister op een weeffout in onze beschaving. Een beschaving die pas echt modern is als niemand zich meer hoeft te verklaren.