Als politicoloog en bestuurskundige vind ik taal en het strategische gebruik ervan door de macht fascinerend. Macht operationaliseert zichzelf namelijk het krachtigst in de witruimte van de tekst; in de definities en aannames die we zo normaal zijn gaan vinden dat we ze niet eens meer bevragen. We praten bijvoorbeeld over corruptie alsof het van buitenaf komt. We hebben onszelf, met behulp van de gevestigde orde, aangepraat dat corruptie een exotische infectieziekte is. Iets wat ruikt naar verschraald bier en eruitziet als een kreukelige bruine envelop die onder een wankele tafel naar een douanebeambte wordt geschoven. Dat ruimt lekker op in ons hoofd. Wij in het Westen hebben immers procedures, wetboeken en marmeren kantoren. We vinden onszelf moreel superieur.
Maar wie de werkelijke rotzooi wil zien, moet niet naar de onderkant kijken. Volg het geld naar de top. Naar het centrum van de macht.
Het is geen toeval dat we het woord “corruptie” tegenwoordig zo angstvallig smal definiëren. De etymologie dwingt ons tot een veel ongemakkelijkere waarheid. Het woord stamt rechtstreeks af van het Latijnse corrumpere, wat letterlijk “geheel en al breken” of “doen verrotten” betekent. Hoewel de Romeinen zeker specifieke wetten hadden om politieke omkoping te bestraffen, zagen zij corruptie in bredere zin vooral als een biologisch proces van ontbinding. Het beschreef hoe het morele weefsel van een samenleving van binnenuit lichter werd, instortte en bedierf.
Als we die oorspronkelijke, bredere betekenis hanteren, filteren we de ruis van de wetboeken direct weg. Dan is corruptie niet langer puur het overtreden van een specifiek wetsartikel. Dan is corruptie elke handeling die het publieke vertrouwen en de integriteit van de samenleving doelbewust doet verrotten.
Hier stuiten we direct op de grootste fout die we vandaag de dag maken: we verwarren “legaliteit” met “integriteit”.
Dit is geen populistische claim die suggereert dat een schimmige elite in een achterkamertje doelbewust de wetten tegen de burger manipuleert. De realiteit is veel banaler en fundamenteler. Het is een structureel, systematisch proces dat naadloos aansluit bij het rechtsrealisme en de sociologie van Max Weber: de wet is nu eenmaal het dynamische eindproduct van politieke machtsverhoudingen en gelegaliseerd lobbywerk. Wie de politieke en economische middelen bezit, heeft simpelweg meer toegang tot de arena waarin de kaders van de wet worden vormgegeven. Het logische gevolg is een rechtsorde waarin de belangen van de top, verpakt in legitieme termen als “marktwerking” of “vestigingsklimaat”, volledig legaal blijven, terwijl de mazen voor de gewone burger hermetisch worden afgesloten.
Kijk naar hoe we de machtsstructuren in het Westen hebben ingericht. Natuurlijk kennen we in Europa strengere regels voor partijfinanciering en lobbyen dan in de Verenigde Staten, maar het onderliggende principe blijft overeind. De bankdirecteur die de huizenmarkt laat instorten en een miljardensteun van de overheid ontvangt, overtreedt de wet niet. Hij is te groot voor de wet. Zijn corruptie is geïnstitutionaliseerd, gelegaliseerd en voorzien van een kantoor op de Zuidas of in Lower Manhattan, inclusief een gigantisch budget voor politieke lobby. In Washington noemen we het kopen van politieke invloed geen omkoping, maar “campagnefinanciering”, keurig beschermd door de wet. De draaiende deur tussen ministeries en defensie-aannemers is geen corruptie. Het is een legitiem carrièrepad. Zelfverrijking noemen we ondernemerschap. Het organiseren van prestigieuze gala’s en congressen om met je eigen elitaire netwerk de schouders te kloppen, onder het mom van “maatschappelijke verbinding”, heet simpelweg “netwerken”. En als een farmaceutisch bedrijf het patent koopt voor een medicijn en de prijs met vierduizend procent verhoogt, heet dat het “maximaliseren van aandeelhouderswaarde”.
De conditionering is zo diep in onze psyche verankerd dat we de proporties volledig uit het oog zijn verloren. Als een winkelmedewerker een opengebroken pak koekjes opeet dat toch zou worden weggegooid, of een plastic tasje van een paar cent meeneemt zonder te betalen, noemen we dat diefstal. De werkgever hanteert een zerotolerancebeleid, er volgt ontslag op staande voet en de zaak escaleert tot aan de rechter. De moraal op de werkvloer is glashelder, microscopisch scherp en onverbiddelijk.
Maar verplaats de blik naar de top van de politieke piramide. Als een minister of een volksvertegenwoordiger aantoonbaar liegt, de feiten verdraait of de camera recht in de ogen kijkt met een gefabriceerde waarheid, dan treedt er een collectieve verdoving in werking. We noemen het geen corruptie. We zien bewindslieden met een besmeurd curriculum vitae gewoon blijven zitten, zolang ze de codes van het netwerk beheersen en de procedures formeel hebben doorlopen.
Klassieke technocraten zullen tegenwerpen dat de politieke arena hier zelfcorrigerend is; dat de minister niet door het strafrecht, maar door het parlement of de kiezer wordt gestraft. Maar de bestuurskundige realiteit laat zien dat dit mechanisme hapert. Gevangen in coalitiebelangen, partijdiscipline en electorale overlevingsstrategieën wordt de integriteitscrisis door de machthebbers gereduceerd tot een politiek schaakspel.
De media spelen hierin een cruciale, vaak kritiekloze bijrol. Hoewel diepgravende onderzoeksjournalistiek gelukkig nog regelmatig grote schandalen blootlegt, blijft de dagelijkse reflex van de massamedia selectief. De media zijn dol op de esthetiek van de kleine criminaliteit. De transactie op straat levert flitsende beelden op. Maar de werkelijke rotzooi aan de top is saai. Die verbergt zich in de gortdroge taal van managementrapportages, fiscale constructies en beleidsnota’s. Wanneer de politieke leugen regeert, analyseren de media of een positie “strategisch houdbaar” is, in plaats van dat de leugen wordt ontmaskerd als het fundamentele falen van het ambt. De taal neutraliseert de morele misdaad. Net zoals de taal de agressor in een oorlog onzichtbaar maakt door het conflict simpelweg te vernoemen naar het land dat bezet wordt.
Het is exact dezelfde paradox die we zien bij institutionele uitsluiting. De wet dicteert met ferme letters dat discriminatie verboden is, terwijl de systemen groepen systematisch uitsluiten. De papieren werkelijkheid functioneert hier als een schild. Wat socioloog Pierre Bourdieu omschrijft als het kapitaal van gesloten netwerken, het befaamde “ons-kent-ons” waarbij vrienden elkaar banen, subsidies en promoties toeschuiven, blijft volkomen ongrijpbaar voor de strafwet. Er is een geruisloze cultuur van wederkerigheid die buiten het bereik van de rechtshandhavers blijft.
De burger kijkt naar het politieke theater, haalt zijn schouders op en went eraan. En dat is precies de bedoeling.
De wet straft het meenemen van het plastic tasje, omdat de wet is ontworpen om eigendom te beschermen. Maar de wet straft de politieke leugen of de gelegaliseerde zelfverrijking aan de top niet, omdat de machthebber zijn eigen overlevingsmechanisme niet strafbaar stelt. De burger wordt langs de meetlat van de absolute integriteit gelegd, terwijl de elite de meetlat zélf mag buigen.
We hoeven de blik niet naar buiten te richten om de rot te zien. Wie tussen de regels door leest en de puntjes met elkaar verbindt, ziet dat de gevaarlijkste corruptie de wet niet overtreedt. Zij schrijft de wet. Het is precies zoals de kunstenaar George Grosz honderd jaar geleden al vlijmscherp verbeeldde in zijn schilderij Stützen der Gesellschaft: de ware steunpilaren van de samenleving dragen een net pak, regeren met een vlag in de hand, maar laten het morele weefsel van de maatschappij van binnenuit verrotten.
Schilderij:
Stützen der Gesellschaft (De steunpilaren van de samenleving)
George Grosz (1926)