Ik heb mijn tong gepolijst tot de harde G geen pijn meer deed.
Mijn accent weggeschuurd, laag voor laag,
tot er geen korrel stof meer over was van de grond waar ik uit sproot.
Kijk me aan, ik draag jullie kleren, ik loop jullie pas,
ik werk tot mijn botten kraken onder de stilte.
Ik deed alles wat op het lijstje stond.
Alles om als een anonieme reiziger onzichtbaar te zijn.
***
Maar de lucht hier blijft ijl.
Het is ademen door een rietje.
Altijd op je hoede, de schaduw achter je scannend, altijd omkijkend bij elke stap.
Omdat je de ongeschreven wetten kent: voor jou gelden andere maten, andere gewichten.
Eén misstap en de weegschaal slaat door.
Je bent de eeuwige gast die de schoenen nog aan heeft.
Er zit een scherpe, droge steen vast in mijn slokdarm die het slikken blokkeert.
***
Je mag meepraten aan de tafel,
je mag zelfs harder schreeuwen dan de rest tegen de nieuwkomers aan de poort.
Je mag meedoen met het spel van uitsluiten,
denkend dat de spiegel nu eindelijk jouw ware gezicht toont.
Maar als het erop aankomt, sluiten de rijen zich.
Hoezeer het gelijk ook aan jouw kant staat,
ze laten je vallen zodra hun eigen bloed roept.
Het bloed dat hier al generaties stroomt.
***
Tot het glas breekt.
Tot er één verkeerde opmerking valt en het masker wegglijdt.
Dan ben je ineens weer die ene.
“Ga jij anders lekker terug,” zeggen ze met diezelfde glimlach.
Hetzelfde vonnis, getekend met een knikje.
***
Achter mijn tanden zwelt een geluid aan dat de ruiten zou moeten breken,
maar het blijft opgesloten, een vuist in een dichte mond.
Je zult nooit een van hen worden. Die grens is van graniet.
***
Ik ben zoveel kwijtgeraakt om hier te mogen staan.
Stukken van mijn جان, mijn ziel, liggen nog ergens op een grens,
als verdorde rozenblaadjes achtergelaten in de haast om de perfecte burger te worden.
Ik zong hun liedjes als een nachtegaal in een vreemde kooi,
en mijn ogen scannen de menigte, onrustig, zoekend langs de koude gezichten,
hunkerend naar die ene blik die niet blijft steken op de buitenkant.
Die ene spiegel die mij niet vervormt.
***
En nu sta ik hier, met lege handen en een brandende, volwassen mond.
Niet van daar, nooit van hier.
Waar hoor je dan nog bij, als de hele wereld een dichte deur is?
Een vreemdeling in een tuin die de mijne had moeten zijn,
klauwend naar een ademteug die niet smaakt naar schuld.
 ****
Schilderij:
Sterrennacht boven de Rhône (Starry Night Over the Rhône)
Vincent van Gogh (1888)Â