Zoute bronnen en zieke miljarden

Woorden zijn de bouwstenen waarmee we de werkelijkheid vormgeven. Die is van Ludwig Wittgenstein. En hij had volkomen gelijk. Woorden bepalen niet alleen hoe we naar de wereld kijken, maar vooral wat we normaal zijn gaan vinden. Neem nou dat eeuwige publieke debat over de groeiende kloof tussen arm en rijk. Keer op keer stuiten we op dezelfde vermoeiende tegenstelling: de “miljonair”, vaak vermomd onder de noemer “hardwerkende Nederlander”, tegenover de “gewone mens” zonder een tweede huis ergens in het zonnetje. Een frame dat even hardnekkig als stuitend is. 

Mijn gedachten dwalen af op deze zondag. De zoveelste mediahype rondom Elon Musk en zijn naderende status als eerste “biljoenair” ter wereld. Waarom noemen we de bezitters van zulke extreme overvloed eigenlijk zo neutraal? Woorden als miljonair of biljoenair klinken bijna als een prestatie. Een status die je met hard werken hebt verdiend. Alsof er iets “buitengewoons” is aan deze groep. Maar de realiteit? Er is werkelijk niets buitengewoons aan het systematisch onttrekken van kapitaal aan de maatschappij.

Laten we spreken over wat ze werkelijk zijn: uitbuiters. Plunderaars. Mensen die bezeten zijn door een cultuur van nooit-genoeg-nemen.

Die doorgeslagen bewondering voor dit soort types sijpelt diep door in ons dagelijks leven. Het deed me terugdenken aan een sollicitatiegesprek dat ik ooit voerde. Ik reageerde vanuit een intrinsieke motivatie; ik wilde oprecht maatschappelijke impact maken. Ik werd afgewezen. Waarom? Omdat de functie volgens de commissie niet statusgevoelig genoeg voor mij zou zijn. De letterlijke afwijzing luidde: “Ja, maar je zit dan maar in schaal…! Waarom zou jij deze functie willen hebben?” Oftewel: wat mankeert je eigenlijk? Blijkbaar is maatschappelijke waarde waardeloos als er geen duur prijskaartje aan hangt. 

Ik herinner me ook een oud-opdrachtnemer die ik ooit moest afwijzen omdat ze een buitenproportioneel tarief vroeg. Toen ik aangaf dat dit maatschappelijk niet te verantwoorden was, kreeg ik als weerwoord: “Dat kan ik niet accepteren, ik ben een bepaalde levensstijl gewend geraakt die ik niet kwijt wil.”

Waarom nemen we onze eigen aangeleerde norm als uitgangspunt? En nog belangrijker: waarom slikt de maatschappij dit? Juist de mensen die het minst verdienen, houden onze samenleving draaiende. Toch hebben we de wereld zo georganiseerd dat we elkaar voortdurend in hiërarchische categorieën en salarisschalen indelen. Puur om deze ongelijkheid voor onszelf te kunnen rechtvaardigen.

Dit is geen toeval, het is psychologische oorlogsvoering. Recente inzichten laten zien dat deze wirwar aan schalen werkt als een bewuste cognitieve overbelasting. Het gijzelt de werkende klasse zodanig in bureaucratische regeltjes, dat de mentale ruimte ontbreekt om op het systeem zélf te reflecteren.

En waarom bewonderen we de top van die schaal? Extreme kapitaalaccumulatie van figuren als Musk is geen economisch succes. Het is een onbehandelde psychologische stoornis: wealth hoarding. Iemand die zijn hele huis barricadeert met oude kranten noemen we een verzamelaar die hulp nodig heeft. Maar iemand die de vitale grondstoffen en het kapitaal van de wereld gijzelt op een bankrekening, noemen we een visionair. Onze taal institutionaliseert een pathologie tot de ultieme droom.

De Franse socioloog Pierre Bourdieu legde dat vroeger al simpel uit: de heersende klasse beschikt niet alleen over het kapitaal, ze bezit ook de macht om de definities in de samenleving te bepalen. Door de superrijken simpelweg miljonairs of ondernemers te noemen, maskeren we de economische roofbouw op de rest van de bevolking. Het poetst het morele faillissement van het hyperkapitalisme netjes weg.

Ook de bekende econoom Thomas Piketty herinnert ons er in zijn werk voortdurend aan dat extreme rijkdom zelden ontstaat door innovatie of maatschappelijke meerwaarde. Het is simpelweg het afromen van de arbeid van anderen. Rijkdom is vaak geen creatie, maar extractie. Het is het leegzuigen van de gemeenschap.

Als we de gewone mens tegenover de biljoenair zetten, maken we de werkende klasse kleiner. Alsof zij de mindere variant zijn. Maar de mens die elke dag opstaat om bij te dragen aan de zorg, het onderwijs of de logistiek is niet gewoon. Die persoon is het fundament. De plunderaars die daar de winst van opstrijken om hun decadente levensstijl of ruimtereisjes te financieren, zijn de anomalie.

Woorden doen ertoe. Zolang we de taal van de bezittende klasse blijven spreken en mensen blijven reduceren tot hun schaal, legitimeren we hun diefstal. Pas wanneer we de plunderaars weer plunderaars durven noemen, breken we het frame dat ons gevangen houdt.

Eeuwen geleden vatte de Perzische dichter Saadi Shirazi deze tragische menselijke blindvlek al prachtig samen in zijn Gulistan:

تنک‌چشم را باوجود نعمت فراوان سیر نتوان کرد

چنانچه چشمهٔ شور را از باران نمناک نتوان کرد

De gulzige ziel krijgt nooit genoeg, al bezit hij alle rijkdom van de wereld. Zoals een zoute bron nooit zoet wordt, hoeveel regen er ook op valt.

Het is tijd dat we stoppen met het aanbidden van zoute bronnen, en weer oog krijgen voor de mensen die de dorst van onze samenleving écht lessen.

Schilderij:

Il Quarto Stato (De Vierde Stand)

Giuseppe Pellizza da Volpedo, (1901) 

 

 

 

 

Het bloedende lichaam van Adam 

Blog overzicht