Soms vreet een beeld zich vast in je hoofd. Neem die foto uit Little Rock, 1957. Een vijftienjarig zwart meisje loopt door een muur van pure haat. Achter haar briest een witte vrouw de longen uit haar lijf, haar gezicht misvormd door woede.
We kijken graag naar die zwart-witfoto met een comfortabel soort superioriteit. Wij zijn nu beter, sussen we ons geweten. We geloven de fabel dat de mensheid zich heeft ontwikkeld. Maar wie anno 2026 om zich heen kijkt, ziet dat we geen fluit zijn opgeschoten. Het is een bittere pil die me raakt tot in mijn vezels. Het besef dat we na al die eeuwen nog steeds zo dicht bij die afgrond staan, doet simpelweg pijn.
De haat van toen is er namelijk nog steeds. Exact even luidruchtig, tastbaar en vuil. Kijk naar de gewelddadige demonstraties bij de AZC’s van vandaag. De woede op straat is identiek. Zelfs als demonstranten zich nu voordoen als bezorgde, liefhebbende burgers met vrouwen en gezinnen in de voorste rij, de onderliggende agressie en de uitsluiting zijn geen spat veranderd. Het is dezelfde dynamiek in een nieuw jasje. En elke steen die daar gegooid wordt, voelt als een klap voor onze gedeelde menselijkheid.
Wat er wél is bijgekomen, is een extra laag van gecultiveerde hypocrisie. Terwijl de rauwe haat op straat vlam vat, schuift Brussel aan de onderhandelingstafel voor het Europese migratiepact. Geen geschreeuw, maar droge pennen op papier. De gezichten van vluchtelingen gereduceerd tot anonieme spreadsheets. Het uitsluiten van mensen gebeurt nu op twee fronten tegelijk: met stenen op straat én met stropdassen in de politieke arena. Stropdassen die we massaal zelf hebben gekozen om onze schreeuw te vertalen.
De Franse filosoof Jean-Paul Sartre schreef ooit dat de mens veroordeeld is tot vrijheid; elke keuze die we maken, definieert niet alleen onszelf, maar de hele mensheid. Die existentiële verantwoordelijkheid dragen we allemaal. Als we wegkijken, kiezen we er bewust voor om medeplichtig te zijn.
Hoe ontwikkeld ben je eigenlijk als je nog steeds een mensenleven niet respecteert?
Het snijdt door mijn ziel dat we deze vraag in 2026 überhaupt nog moeten stellen. Mijn pijn ligt in het feit dat we de wreedheid hebben geperfectioneerd in plaats van uitgebannen. We lopen misschien niet allemaal meer gillend achter één meisje aan op een schoolplein. Dat hebben sommigen ingewisseld voor de veilige, donkere anonimiteit van het stemhokje. Het is welbewuste haat. In dat hokje stemmen we doelbewust op de politici die die haat vertalen naar wetgeving. Politici die namens ons besluiten nemen die het bestaansrecht van anderen simpelweg wegstrepen.
Het herinnert me aan de eeuwenoude, tijdloze woorden van de Perzische dichter Saadi Shirazi, die de essentie van mijn verdriet verwoorden:
De kinderen van Adam zijn ledematen van één lichaam,
geschapen uit dezelfde essentie.
Wanneer de tijd één ledemaat pijn doet,
kunnen de andere ledematen niet in rust blijven.
Als je geen medeleven hebt met de pijn van anderen,
verdien je het niet om de naam ‘mens’ te dragen.
Onze beschaving is helemaal niet gegroeid. De uitsluiting is alleen maar gelaagder geworden: luidruchtig op straat als het moet, en ijskoud bureaucratisch in de kantoren als het kan. We kijken collectief weg van de mens achter het dossier. Dus vertel me: hoe rustig slapen de regisseurs van dit beleid vanavond? En hoe rustig slapen wij, terwijl het lichaam van de mensheid bloedt en wij weigeren de pijn te voelen?
Foto: Elizabeth Eckford probeert op 4 september 1957 binnen te komen bij de Little Rock Central High School.
Fotograaf: Will Counts (Arkansas Democrat / Associated Press)